Christelijk Gymnasium Sorghvliet | Op Sorghvliet gebeurt meer Christelijk Gymnasium Sorghvliet Illustratie

Bijbelrooster


Periode 4

We lezen deze periode voorafgaande aan Pasen uit het boek Prediker. We zullen met Pasen stilstaan bij het thema: hoe gaan we om met mensen (en met onszelf) als zij (of wij) een fout gemaakt hebben? Lig je er dan definitief uit? Kunnen mensen leren van hun fouten? Is er een soort zin te vinden in het maken van fouten? De schrijver van Prediker heeft het in het algemeen vrij moeilijk met iets zinvol vinden. Hij vindt bijna alles ‘ijdel’ en zinloos. Wat heeft het leven helemaal voor nut? Het Paasverhaal in het evangelie gaat heel duidelijk over zin. Er is in het leven wel degelijk zin. Er is een doel in het leven om je voor in te zetten. Er is iets om voor te leven. Er is zelfs een reden om voor te sterven.

Lees verder.


Periode 3

Het Nieuwe Testament bevat vier evangeliën. Het woord ‘evangelie’ betekent ‘goede boodschap’. Het genre evangelie heeft veel verwantschap met de biografie of levensbeschrijving, een genre dat in de Grieks-Romeinse tijd populair was. In de evangeliën vormt de beschrijving van (een deel van) het leven van Jezus het stramien van de boeken, maar de eigenlijke nadruk ligt op het doorgeven van de boodschap van Jezus, en op de oproep in hem te geloven. In het Johannes-evangelie wordt de schrijver geïdentificeerd met een leerling van Jezus (21:20). Over de vraag of deze identificatie historisch betrouwbaar is of gezien moet worden als een literair motief waarmee een verder onbekende auteur zijn boek gezag wil verlenen, bestaat discussie. Het geschrift moet gedateerd worden aan het einde van de eerste eeuw, en is waarschijnlijk in Klein-Azië ontstaan.

Lees verder


Periode 2

In periode 2 lezen we uit het boek van de profeet Daniel. Het boek staat tussen de profeten maar wordt in de Hebreeuwse Bijbel (de TeNaCh) in het derde deel, tussen de Geschriften (de Chetoebim) geplaatst. Het volk van de Hebreeën is in ballingschap gevoerd en leefde van ± 586 v. Chr tot ± 538 v. Chr in Babylon (spreek de a in het woord Babylon gewoon uit als a – het gaat niet om het winkelcentrum bij het Centraal Station in Den Haag).

Wie het boek Daniel leest en Hebreeuws kent komt bij hoofdstuk twee een variant van het Hebreeuws tegen (namelijk het Aramees). Het Aramees werd na de ballingschap steeds meer gebruikt in Israël, het lijkt op Hebreeuws maar heeft een T in plaats van een S en meer van dat soort varianten, zo wordt het woord sjekel (geld) in het Aramees tekel. Jezus sprak ook Aramees.

Het boek Daniel beschrijft hoe de Hebreeën zich proberen staande te houden in een vreemd land. Het was trouwens alleen de elite van Israël die weggevoerd werd. Er ontstaat een situatie waarin de Babyloniërs proberen om de Hebreeën heel hip te ontwortelen, de politiek van aanpassen en proberen zo snel mogelijk de eigen cultuur te laten verdwijnen. En het gaat vooral over de buitenkant. Het is een politiek gericht op gewoontes en zichtbare gebruiken. En het is een politiek die vooral met leuzen en slogans werkt. Vooral die leuzen die de wereld ingeslingerd worden zijn boeiend. Het is aanpassen gericht op het opgeven van de eigen cultuur, vooral de zichtbare cultuur; wat voor persoon er achter de cultuur zit is eigenlijk nauwelijks interessant in het verhaal van Daniel. Het is een manier om cultuur in een leus te vangen, maakt niet uit hoe.

We’re gonna make America great again. In november zijn de presidentsverkiezingen in Amerika. Een boeiende gebeurtenis die veel invloed kan hebben op de geschiedenis. Een groot land met veel macht kan veel goeds doen en veel ellende veroorzaken. We zullen zien hoe Clinton het gaat doen.

De komende weken zijn interessante weken. Het boek Daniel stelt ook interessante kwesties aan de orde: hoe ver ga je met het aanpassen als je in een ander land woont? Is de taal spreken genoeg? Is het eten accepteren genoeg? Is het overnemen van de gewoontes van een ander land genoeg? Is het kleden als de Babyloniers genoeg? Moet je strategisch vrienden maken en aanpappen met de leiders? Wat doe je als je wilt overleven? Maakt het uit wat er gevraagd wordt, of doe je alles wat er van je gevraagd wordt? Wat zijn vitale waarden die je niet overboord wilt zetten? Welke zaken bepalen je echte identiteit? En hoe zit het met Sorghvliet? Op wat voor school wil je eigenlijk zitten? Een school met de beste cijfers? De school met de leukste buitenschoolse activiteiten? De school met de leukste leerlingen? Wat is de identiteit van Sorghvliet eigenlijk? Zit die in de leerlingen en de docenten samen? De muziek, de kleding, de taal, het geloof, de vrienden, het karakter. The answer, my friend, is blowin’ in the wind.

Lees verder.


Periode 1

In periode 1 lezen we het verhaal van Jozef, de dromer, de voorgetrokken zoon, die eerst zijn broers tegen zich in het harnas jaagt, als slaaf verkocht wordt, in Egypte als slaaf bij generaal Potifar werkt en vervolgens opklimt tot vice-farao. In de verhalen van Jozef staat de droom centraal. Het hebben van dromen en het uitleggen van dromen, zowel je eigen dromen als de dromen van een ander. Dromen zijn in het Oude Testament altijd vensters, dromen laten iets zien aan de persoon die ze gedroomd heeft. Dromen werden heel serieus genomen. In het verhaal over Jozef krijgt ook zijn vader een belangrijke rol. Jakob die ooit zelf zijn vader (Izaäk) had bedrogen met een een geitevel over zijn arm en een geslacht bokje: zo pakte hij het eerstgeboorterecht van zijn broer Esau af. Jakob krijgt een spiegel voorgehouden. Dat laatste, ´jezelf tegenkomen´, geldt voor alle personen in deze geschiedenis, die zo ook ons een spiegel kunnen voorhouden.

Lees verder.