Onderwijsbeleid
Het geven van goed onderwijs is uiteraard onze primaire taak. Goed onderwijs aan getalenteerde leerlingen betekent onderwijs dat meer biedt dan de geijkte lesstof uit de leerboeken, dat intellectueel uitdaagt, dat aanzet tot logisch denken en het leggen van verbanden, dat leerlingen naast contextrijke kennis ook de voor onderzoek vereiste studievaardigheden aanleert.
Het betekent ook onderwijs toegesneden op de omstandigheden en behoeftes van individuele leerlingen. Voor hoogbegaafden of leerlingen in bijzondere omstandigheden kunnen afwijkende leertrajecten vastgesteld worden.
Het betekent dat we voortdurend de resultaten van ons onderwijs vastleggen en proberen te verbeteren. We houden de vinger aan de pols en vergelijken onze resultaten met die van de andere categoriale gymnasia en van andere vergelijkbare vwo-scholen in Nederland. Hiervan wordt jaarlijks verslag gedaan in het jaarverslag.
Het gymnasiale karakter van de school komt vanzelfsprekend tot uiting in de lessen in de klassieke talen en antieke cultuur. Het onderwijs in deze talen vormt een centraal onderdeel van het curriculum van alle leerlingen. Aan leerlingen die dat wensen wordt de mogelijkheid geboden in beide klassieke talen eindexamen te doen.
Maar er zijn ook veel gymnasiasten met een uitgesproken bètagerichtheid. Ook deze leerlingen dienen aan hun trekken te komen. De school streeft daartoe naar innovatief bètaonderwijs zowel in onderbouw als bovenbouw. Er wordt hierbij samengewerkt met externen uit bedrijfsleven en hoger onderwijs.
Europa gaat een steeds belangrijker rol spelen in de wereld van onze leerlingen. In ons onderwijs proberen we nadrukkelijk de Europese dimensie naar voren te brengen. Als een van de eerste scholen zijn we begonnen met uitwisselingen met buitenlandse scholen. We hebben contacten met scholen in Duitsland, Frankrijk en Polen. In de vierde klas worden leerlingen in staat gesteld aan een uitwisseling deel te nemen. Verdere profilering van de internationale dimensie van ons onderwijs heeft een nieuwe impuls gekregen met het formeren van een internationaliseringscommissie.
Onderdeel van de internationale orientatie is natuurlijk ook de aandacht voor- en nadruk op het vreemde-talen-onderwijs. Naast Engels, Frans en Duits is er voor leerlingen die zich extra willen bekwamen in Engels aansluiting bij het programma van Cambridge Engels gezocht. We hebben de Cambridge examens, en voorbereiding daarop, inmiddels geïntegreerd in de lessen Engels. Ook kunnen de leerlingen die Frans en Duits als examenvak kiezen deelnemen aan de internationaal erkende examens, Delf (Frans) en Goethe (Duits). Hierdoor kunnen onze leerlingen probleemloos doorstromen naar buitenlandse universiteiten.
Internationale oriëntatie komt voorts naar voren in de geschiedenislessen. Daarnaast doen leerlingen mee aan de THIMUN (The Hague Model United Nations), MUNISH en soortgelijke evenementen.
Last but not least, het gezonde lichaam. Ieder schooljaar worden er minstens twee sportdagen voor de hele school georganiseerd, er worden onderlinge wedstrijden gehouden in diverse sporten en schoolvertegenwoordigende teams geformeerd die aan allerlei interscolaire wedstrijden deelnemen. Voor leerlingen die daar behoefte aan hebben worden speciale cursussen georganiseerd.
En nog een gedeelte (met aanpassingen) uit ons Schoolplan:
Uitgangspunten van ons onderwijs
Eigenlijk is de enige doelstelling van ons onderwijskundig beleid en opereren om onze leerlingen uitdagend onderwijs te bieden afgestemd op hun niveau; onderwijs dat de grauwheid van de methodedictatuur ontstijgt. Onderwijs dat zowel gericht is op het verwerven van relevante kennis als op het ontwikkelen van studievaardigheden.
We verwerpen daarbij de simplistische keuze tussen traditioneel-frontaal-cognitief en modern-zelfstandig-vaardighedengericht, maar geloven dat juist in een dialectische wisselwerking tussen beide pedagogisch-didactische benaderingen een onderwijsvorm kan ontstaan die bij uitstek geschikt is voor de hedendaagse gymnasiast. Niet alleen kennis, maar ook geen eenzijdige nadruk op vaardigheden. Niet alleen frontaal, maar gevarieerde werkvormen en natuurlijk ook zelfstandig en vakoverstijgend onderzoek. Niet met iedere nieuwe mode in de pedagogiek meegaan, maar als gedreven eclectici datgene dat nuttig is gebruiken ter verbetering van ons didactisch-pedagogisch handelen.
Waar zijn we nu?
De school heeft de afgelopen jaren ingrijpende veranderingen ingevoerd zowel in didactiek als in de organisatie van het curriculum. De school was een jaar of 10 geleden nog overwegend traditioneel, louter gericht op kennisverwerving met de goede frontale les als het ideaal waar iedere docent naar streefde en iedere leerling op hoopte. Nu is er veel meer ruimte en afwisseling gekomen met een grotere variatie in didactische werkvormen, een nieuwe aandacht voor vaardigheden en de introductie van onderzoeksprojecten vanuit het besef dat kennis weliswaar macht is, maar dat met kennis alleen slechts een heel eenzijdig leven mogelijk is.
In het kader van de invoering van de Tweede Fase werd besloten per jaar 5 toetsweken in te voeren. Buiten toetsweken mogen geen toetsen afgenomen worden. Deze organisatorische aanpassing bleek een katalysator voor didactisch-pedagogische veranderingen. Tijdens de vijf lesweken heeft de leerling gewapend met studieplanners voor de verschillende vakken aanzienlijke vrijheid om zijn eigen werktijd in te delen en te structureren. De greep van de docent op de leerling wordt zo ingrijpend verminderd - ook van de docent die de leerling het liefst bij iedere leeractiviteit op de huid zit of in niet aflatende behulpzaamheid voor de voeten loopt. Een zekere verbetering van de leerresultaten is het gevolg. En de leerling leert zelfstandiger opereren.
Uiteraard kleven er ook nadelen aan de toetsweken. Voor niet-cognitieve vakken betekent het extra lesuitval zonder dat er grote voordelen ter compensatie tegenover staan. En helaas leidt ook dit systeem bij sommige leerlingen tot calculerend leergedrag.
Uit bovenstaande mag blijken dat de school op onderwijskundig gebied in beweging is. Meer variatie in het onderwijsproces en meer zelfstandigheid voor de leerling is het gevolg. Het streven is dat de school zich onderwijskundig verder zal ontwikkelen in de richting van de meer hedendaagse opvattingen omtrent kennisoverdracht en vaardighedenverwerving. Tegelijkertijd zal er tegen deze moderne stromingen in ook gezorgd moeten worden voor het behouden van het goede van het traditionele onderwijs. Een goede frontale les is en blijft onontbeerlijk: het stelt docenten in staat hun kennis, betrokkenheid en enthousiasme uit te leven en voor te leven, waardoor dorre feiten voor leerlingen gaan leven, een existentiële dimensie krijgen.
Algemene plannen en ontwikkelingen op korte termijn
De wetgever probeert scholen meer ruimte te geven om zelf stappen te nemen op didactisch-pedagogisch gebied. Sorghvliet wil de nieuwe beleidsvrijheid aangrijpen om modern gymnasiaal onderwijs vorm te gaan geven; om naast overdracht van relevante kennis aandacht te besteden aan onderzoek, persoonlijke en algemene ontwikkeling, waarbij leerlingen de vrijheid krijgen althans een deel van hun leerproces zelf te kiezen en vorm te geven op basis van eigen belangstelling en aanleg. Op dit moment is een onderbouwcommissie bezig aanpassingen in het onderbouwprogramma te bespreken en geleidelijk te implementeren. Geleidelijkheid is hierbij van belang: alleen als de wijzigingen door de leraren gedragen worden en aantoonbaar verbeteringen in het leer- en ontwikkelingsproces van leerlingen betekenen, zullen de aanpassingen beklijven. Dit betekent dat bij iedere stap die naar voren gezet wordt ook een stap opzij moet worden gedaan om het resultaat te evalueren.
De school is in beweging. Het curieuze is dat er geen eenduidig, uiteindelijk doel is waarnaar de school op weg is. De ideale vorm van onderwijs bestaat immers niet. Zo er al iets te zeggen is over de ideale school voor begaafde leerlingen dan zijn juist variatie en verscheidenheid van didactisch-pedagogische benadering op hoog niveau belangrijke ingrediënten van het ideaalmodel. Dus per definitie geen eenduidigheid, maar verscheidenheid. De ontwikkeling van de school zal er dus op gericht zijn meer verscheidenheid in leer- en werkvormen te creëren, deze globaal in kaart te brengen en zo te structureren dat er logische opbouw en voldoende coherentie in het curriculum ontstaat. Keuzevrijheid voor leerlingen binnen een globale structuur met betrekking tot hun leerproces is essentieel: het vergroot de betrokkenheid van de leerlingen doordat ze zich als eigenaar van hun eigen leerproces gaan beschouwen.
Daarnaast hebben we ook het beta-onderwijs een nieuwe impuls gegeven. Veel van onze leerlingen kiezen uiteindelijk voor een beta-profiel en we willen deze beta´s graag vanaf de brugklas uitdagend onderwijs geven. In de oude bedeling valt bijvoorbeeld op dat scheikunde pas vanaf klas 3 zijn intrede in het curriculum doet. Dit is veel te laat. We hebben daarom een geïntegreerd programma ontwikkeld voor de eerste drie leerjaren waarin alle binas-vakken participeren. Onderzoek krijgt in deze opzet een belangrijke plaats.
Naast deze nieuwe elementen dient echter nog iets veel belangrijkers te gebeuren. Dat ook veel moeilijker te realiseren is omdat het zich deels aan waarneming op afstand onttrekt. Hierboven werd gesproken van relevante kennis. De grote uitdaging zal zijn om opnieuw te bepalen welke kennis nu eigenlijk relevant is in onze snel veranderende maatschappij. Hoeveel kennis dient de 21e mens (onze leerling van nu) nog paraat te hebben gezien de onafzienbare informatiestromen waarover hij de beschikking heeft? Is de afbraak van het onderwijs in de moderne vreemde talen (met name Duits en Frans) gerechtvaardigd omdat Engels toch de wereldtaal van de toekomst wordt? Wat zijn haalbare en zinvolle eindtermen voor de talige kant van het onderwijs in de klassieke talen? Literatuur, kunst, muziek, creatief: luxe of noodzaak? Welke ontwikkelingen in de 19e en 20e eeuw zijn van belang voor een goed begrip van het heden? Hoe relevant is het om leerlingen 18e eeuwse natuurkundige wetten te laten leren?. Moeten leerlingen die met hun rekenmachine opstaan en naar bed gaan nog wel rekenen leren? Zijn de oude economische wetten van Keynes en de zijnen nog wel belangrijk in de wereldeconomie van de toekomst? Enkele van vele vragen die op ieder vakgebied beantwoord moeten worden.
Uiteraard zijn deze vragen te groot voor onze kleine school, maar bij de bepaling van wat relevante leerstof is wordt iedere docent op micro-niveau met dergelijke vragen geconfronteerd. Globaal geformuleerde eindtermen en strikt omschreven examenstof laten op dit gebied veel ruimte.
Hoe moeilijk ook, we willen de komende jaren komen tot enerzijds een beperking van lesstof vooral waar het gaat om de wat muffige uithoeken van de lesmethodes en anderzijds een uitbreiding en verrijking op gebieden waar kennis echt fris en uitdagend is. Samenwerking tussen vakken biedt hier grote mogelijkheden.
ICT
Een computerruimte met 60 moderne nieuwe computers, een studieruimte met nog eens zo'n 30 computers, ieder lokaal een beamer of digibord met internet, aansluiting op het glasvezelnet: de computer heeft een vaste plaats verworven binnen de school. Opvallend hierbij is dat de computerruimte bijna altijd vol zit. Bij veel vaklessen wordt gebruik gemaakt van de computer.
Op onze elektronische leeromgeving (ELO) staan de studiewijzers, opdrachten en antwoorden voor de leerlingen. De digitale communicatie tussen school en leerling vindt plaats via de e-mail. Elke leerling heeft zijn eigen e-mailadres en ontvangt hierop regelmatig post van docent of coördinator.